tussen twee torens
werd ik geboren
links van mij de koningin
wiens onderdaan ik mij waan
als ik gracieus zwalkend
wat afstand neem
om te zien of zij wel
recht blijft staan
rechts kijk ik uit
mijn slaapkamerraam
serene zondagsklokken
trekken op uit de bekegelde nevelen
de stoom die afgeblazen werd
in het feestgedruis
verdampt onder een frisse zon

en naast een veel te dikke pony
stap ik met mijn nieuwe schoenen
door de modder
je korte beentjes reiken
niet half tot de stijgbeugel
en je lacht ondeugend
bij de val van de Reuze duplo muur
waar je buurjongetjes al een uur
zoet mee waren

ik verklaar de vrede
reik de stenen aan maar
het spel laat zich niet leiden
de voetjes diepgeworteld
in de klei
goed gegrond
onze grond, van jou en van mij