Staar jezelf niet stuk op dierendarmen, lees geen broze

mensenhanden, kijk niet in een glazen bol: de toekomst

slaapt al in de stad, ligt nog onder onze ogen opgerold.

 

Al die hoofden die hier over nieuwe tijden zullen dromen,

al die stenen van de stad waarin straks opnieuw een ander

leven wacht, al die straten die nog eeuwen nieuwe voeten

 

zullen dragen. Maar kijk: in de Langestraat blijven mensen

nieuwe kleren kopen, op de Hof blijven obers drank in glazen

schenken, bij de Koppelpoort blijven dagjesmensen uren naar het

 

water staren – de toekomst is een vorm van wat al was en wacht

geduldig in de stad. En wij, een mooie rimpel in de tijd,

wij gaan onvermijdelijk voorbij in een stad die altijd blijft.